Zoeken naar somatische verklaringen voor probleemgedragbij mensen met een verstandelijke beperking

Urineretentie

Wat is urineretentie?

Urineretentie kan acuut zijn of chronisch. Bij acute retentie leegt de blaas niet helemaal, ondanks grote aandrang om te plassen en treedt er een plotselinge, pijnlijke ophoping van urine op. Bij chronische retentie kan de blaas niet meer volledig worden geleegd, met als gevolg een geleidelijke, pijnloze ophoping van urine in de blaas.

Welke klachten geeft urineretentie?

Symptomen van acute urineretentie ontwikkelen zich binnen enkele uren en zijn: buikpijn en een verontrustende en pijnlijke aandrang om te urineren zonder dat te kunnen. Bij mensen met verhoogde kwetsbaarheid zoals bij mensen op hogere leeftijd, met dementie, zintuigstoornissen of polyfarmacie vormt acute urineretentie daarnaast een verhoogd risico voor het optreden van een delier: bewustzijnsverandering met desoriëntatie, wanen en hallucinaties, meestal mét maar soms ook zónder onrust 400 . Deze onprettige belevingen kunnen, vooral bij iemand die hierover niet adequaat kan communiceren, geduid worden als een gedragsverandering.
Chronische urineretentie veroorzaakt gewoonlijk geen pijn. De symptomen ontwikkelen zich meestal langzaam en zijn: een frequente aandrang tot plassen; een opgezette buik; het plassen komt moeilijk op gang; een slappe urinestraal die eindigt met druppelen; in sommige gevallen kan tussen bezoeken aan het toilet door urine druppelen. Urineretentie kan schade aan de nieren toebrengen als de urine niet uit de nieren weg kan stromen of kan leiden tot (terugkerende) blaasontsteking(en).

Hoe vaak komt urineretentie voor in de algemene bevolking?

Hoe vaak urineretentie in de totale bevolking voorkomt is niet precies bekend. Het komt veel vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. De incidentie van acute urineretentie bij volwassen mannen is 0,2% tot 0,7%. 401
Chronische urineretentie wordt meestal veroorzaakt door een vergrote prostaat, waar 8% van de mannen boven de 40, 60% van de mannen boven de 70 en 90% van de mannen boven de 80 jaar last van heeft. 402
In de geriatrische populatie wordt de prevalentie van urineretentie geschat op 7% tot 11%. 403 , 404  

Hoe vaak komt urineretentie voor bij mensen met een verstandelijke beperking? In een onderzoek naar urineretentie bij 346 Nederlandse mensen met een matige tot zeer ernstige verstandelijke beperking bleek dat bij 8,7% een niet eerder vastgestelde urineretentie werd gevonden; de totale prevalentie was 10,2% 405 .
Risicofactoren waren een hogere leeftijd, gebruik van laxantia, het hebben van een chronische ziekte anders dan epilepsie, een zeer ernstige verstandelijke beperking en immobiliteit.

prevalentie_urineretentie

400

Van der Weele GM, Van Dijk A, Eekhof JAH, Olde Rikkert MGM, Scholtes ABJ, Veehof LJG, Janssen PGH, Eizenga WH. NHG-Standaard Delier bij ouderen. Huisarts Wet 2003;46(3):141-6.

401

Kaplan SA, Wein AJ, Staskin DR, Roehrborn CG, Steers WD. Urinary retention and post-void residual urine in men: separating truth from tradition. J Urol. 2008 Jul;180(1):47-54.

402

Thorpe A, Neal D. Benign prostatic hyperplasia. Lancet. 2003 Apr 19;361(9366):1359-67.

403

Borrie MJ, Campbell K, Arcese ZA, Bray J, Hart P, Labate T, Hesch P. Urinary retention in patients in a geriatric rehabilitation unit: prevalence, risk factors, and validity of bladder scan evaluation. Rehabil Nurs. 2001 Sep-Oct;26(5):187-91.

404

Barabas G, Mölstad S. No association between elevated post-void residual volume and bacteriuria in residents of nursing homes. Scand J Prim Health Care. 2005 Mar;23(1):52-6.

405

Waal de KH, Tinselboer BM, Evenhuis HM, Penning C. Unnoticed post-void residual urine volume in people with moderate to severe intellectual disabilities: prevalence and risk factors. J Intellect Disabil Res. 2009 Sep;53(9):772-9.

Deel deze pagina:

Van der Weele GM, Van Dijk A, Eekhof JAH, Olde Rikkert MGM, Scholtes ABJ, Veehof LJG, Janssen PGH, Eizenga WH. NHG-Standaard Delier bij ouderen. Huisarts Wet 2003;46(3):141-6.

Kaplan SA, Wein AJ, Staskin DR, Roehrborn CG, Steers WD. Urinary retention and post-void residual urine in men: separating truth from tradition. J Urol. 2008 Jul;180(1):47-54.

Thorpe A, Neal D. Benign prostatic hyperplasia. Lancet. 2003 Apr 19;361(9366):1359-67.

Borrie MJ, Campbell K, Arcese ZA, Bray J, Hart P, Labate T, Hesch P. Urinary retention in patients in a geriatric rehabilitation unit: prevalence, risk factors, and validity of bladder scan evaluation. Rehabil Nurs. 2001 Sep-Oct;26(5):187-91.

Barabas G, Mölstad S. No association between elevated post-void residual volume and bacteriuria in residents of nursing homes. Scand J Prim Health Care. 2005 Mar;23(1):52-6.

Waal de KH, Tinselboer BM, Evenhuis HM, Penning C. Unnoticed post-void residual urine volume in people with moderate to severe intellectual disabilities: prevalence and risk factors. J Intellect Disabil Res. 2009 Sep;53(9):772-9.