Herkenning en definiëring van het probleemgedrag in multidisciplinair overleg

Hoe vaak komt het probleemgedrag voor, hoe lang houdt het aan, waar en wanneer, tijdstip op de dag, wat gebeurt er voorafgaand en na afloop aan het gedrag, wat is de impact op cliënt en omgeving, is er sprake van ingrijpende life events?


Omdat probleemgedrag nooit bestaat zonder context is het van belang de factoren die het gedrag veroorzaken of in stand houden zowel in de persoon zelf als in zijn of haar omgeving als in de interactie tussen beide in kaart te brengen. Bij ontstaansfactoren of in standhoudende factoren in de persoon wordt door het CCE een onderscheid gemaakt tussen biologische en psychologische factoren. Bij ontstaansfactoren of in standhoudende factoren in de omgeving maakt het CCE onderscheid in sociale omgeving, fysieke omgeving en organisatie.

 

Onder biologische (persoons)factoren rekent het CCE de problemen met bijvoorbeeld visus of gehoor, syndromen en genetische defecten, somatische ziekten die pijn of ongemak of vermoeidheid veroorzaken, neurologische ziekten of problemen, zoals degeneratieve stoornissen en hersenletsel. Onder psychologische factoren worden problemen met onder andere perceptie, cognitie, emotie, motivatie gerekend. Ontstaansfactoren en instandhoudende factoren in de omgeving kunnen hun oorsprong vinden in de sociale omgeving (bijvoorbeeld familie, personeel, medecliënten), de fysieke omgeving (zoals gebouw, inrichting, licht, geluid) en de organisatie (bijvoorbeeld visie, personeelsbeleid of opleiding).

 

Over hoe deze factoren op elkaar inwerken en leiden tot het ontstaan of in stand houden van probleemgedrag zijn geen algemene uitspraken te doen. Iedere situatie kent zijn eigen dynamiek. Om probleemgedrag te verklaren of te begrijpen en effectief te kunnen interveniëren wordt steeds gekeken naar de specifieke cliënt in de specifieke context waarin deze verkeert. Het CCE hanteert als uitgangspunt dat dit systematisch gebeurt in een cyclus die start met beeldvorming, vervolgd wordt met interventies op basis van de beeldvorming, waarna de effectiviteit van de interventie geëvalueerd wordt in termen van het resultaat daarvan voor de persoon.

In schema ziet dit er als volgt uit:

visie op probleemgedrag

visie op probleemgedrag1