CCE biedt ook advies over omgaan met probleemgedrag bij dementie

Dementie is een ziekte die iedereen kan treffen. Het CCE komt dan ook in alle sectoren van langdurige zorg cliënten tegen met dementie. En vaak is het een combinatie van dementie met een andere aandoening of beperking die ervoor zorgt dat zorgverleners vastlopen. Wat kan het CCE betekenen voor mensen met dementie?

 

CCE en dementie

 

‘Voordat het CCE betrokken wordt, hebben er al meerdere mensen gekeken naar een vastgelopen situatie. Het boeiende van zo’n situatie vind ik dat er altijd winst te behalen valt, al is het maar om met goede argumenten te bevestigen dat men reeds het optimale doet om het leven van een cliënt te verbeteren. Vaak zijn er wel verbetersuggesties te geven. Daarbij valt op dat de verwachting vaak niet is dat we het probleem oplossen, maar dat men bevestiging wil: “doen we het wel goed?”. Men heeft altijd al veel gedaan en geprobeerd.

 

Ronald Geelen heeft de brede blik die je van een CCE-consulent mag verwachten: hij is psycholoog bij zorgorganisatie Thebe en werkt al 24 jaar in de ouderenzorg, vooral in verpleeghuizen, maar ook in verzorgingshuizen en in de thuiszorg. Verder is hij betrokken bij de opleiding tot gezondheidspsycholoog en klinisch psycholoog in diverse steden. Vele publicaties staan op zijn naam, met name over dementiezorg.

 

Het CCE wil graag zichtbaarder en bekender worden in de ouderenzorg. Ontstaan vanuit de gehandicaptenzorg is een bepaalde manier van werken ontwikkeld. Die is anders dan waar de ouderenzorg behoefte aan heeft. Het CCE probeert zo goed mogelijk aan te sluiten bij de ouderenzorg. ‘Medewerkers in de ouderenzorg zijn doeners die niet veel tijd voor elke cliënt krijgen’, vertelt Geelen. ‘Ze hebben veel aan praktische tips. Zodra ik mijn gezicht laat zien op de afdeling van het verpleeghuis waar ik werk, krijg ik allerlei vragen. Maar als ik op mijn kamer zou blijven zitten, zou ik het heel rustig hebben. Terwijl de vragen van de werkvloer heel dringend kunnen zijn. In de ouderenzorg komt daarbij dat je minder tijd hebt dan in andere sectoren. Cliënten hebben vaak nog een jaar of een aantal maanden te leven. Hun reserves zijn minder waardoor problemen sneller escaleren, en de psychische en gezondheidstoestand eerder in een vicieuze cirkel belandt. Ik probeer daarom altijd snel met een antwoord te komen, als CCE-consulent binnen enkele weken en in mijn eigen werkomgeving dezelfde week nog.  Dementie schrijdt voort en als je langer wacht, verandert de omgeving én de persoon zelf. Bij te lang wachten na een eerste analyse kan het voorwerk voor niets blijken.’

 

Geelen noemt het essentieel om een persoon in zijn context te zien: ‘Hoe slaapt hij, hoe brengt hij de dag door, hoe is het contact met de omgeving, hoe gaat de prikkelverwerking, wat zegt de oudere zelf over zijn situatie? Hoe was hij en hoe is hij? Details die op het eerste gezicht onbelangrijk lijken zoals de zitplaats, andere tafelgenoten of de manier van aanspreken, kunnen later doorslaggevend blijken. Het geheel is meer dan de som der delen. Daarbij is het ook van belang om te kijken naar verwachtingen en opvattingen van medewerkers en familieleden. De zorgverlener die meent dat de cliënt “expres” bepaald weerspannig gedrag vertoont, voelt zich eerder boos wat zich vertaalt in een minder begripvolle bejegening. De verwante die op bezoek komt met een lading aan schuldgevoelens, infecteert haar ouder of partner en zal eerder met verwijten worden geconfronteerd als “jij hebt me hier op laten sluiten!”’

 

Uiteenlopende interventies vanuit de cognitieve gedragstherapie kunnen dan helpen om de situatie voor alle partijen draaglijker te maken. ‘De oudere met dementie is zelf vaak niet direct tot ander gedrag te brengen, maar door de belangrijke personen om hem heen tot ander denken en vooral anders doen te bewegen, zie je vaak ook weer verbeteringen bij de cliënt optreden. Mensen blijven immers een wisselwerking houden met hun omgeving. Als je daar als consulent op inzet, is vaak winst te boeken.

 

Zo ben ik eens als consulent ingeschakeld bij een vrouw met vergevorderde dementie. Zij was angstig, verzette zich tegen elke toenadering en gilde veel. Ze verbleef dag en nacht op haar eenpersoonskamer. Eerder, in een andere sector, was het advies gegeven haar een prikkelarme omgeving, structuur en houvast te bieden. Het team hield het gevoel haar zo tekort te doen, maar durfde haar niet in de huiskamer te plaatsen, ook vanwege eerdere ontsporingen in onrust en agressie. Samen zijn we heel precies gaan kijken wat deze vrouw nodig had en hoe we dat met flexibele randvoorwaarden konden bereiken. In haar geval bleek het goed om te beschrijven welke signalen zij liet zien wanneer zij in redelijke doen was, en plaatsing in de huiskamer kans van succes had. We zochten naar manieren van contact leggen die haar niet verrasten en naar ontspanningsactiviteiten die minder onverwachte prikkels gaven. Het bleek voor haar vaak goed haalbaar om, onder begeleiding van een zorgverlener of familielid, in de tuin te verblijven.

 

De dagelijkse verzorging was voor haar een terugkerende plaag. Nadat pijn uitgesloten was, bleek het met een herziening van gebruikte materialen, aangepaste kleding en een andere verpleegtechnische opbouw mogelijk de verzorging minder belastend voor haar te maken. Ze hoefde minder verlegd te worden en ook andere stressgevende handelingen konden worden omgebogen. Zo werd ze voortaan met speciale washandjes gewassen zodat ze niet meer afgedroogd hoefde te worden. Door te deppen in plaats van te wrijven, kreeg ze minder ongewenste prikkels. Dit betekende meteen al een betere start van de dag. Dat was niet alleen voor mevrouw zelf een verbetering van haar kwaliteit van leven, maar betekende ook dat de gevoelens van onmacht bij het team en de lijdensdruk voor familie verminderden. Interessant vind ik, dat juist dit team van zorgverleners en behandelaars vooraf al goed op elkaar was ingespeeld, en al veel voor deze mevrouw had gedaan. Kortom: neem niet te snel aan dat er geen verbetering mogelijk is. 

 

Met de leeftijd neemt de kwetsbaarheid van mensen toe. Bij dementie en wilsonbekwame ouderen neemt ook de verantwoordelijkheid van zorgverleners toe. “Doe ik het wel goed? Wat zijn mijn motieven om dit zo te doen?” Openheid in gemaakte keuzes, vragen om raad is dan een goede gewoonte. Ook voor mensen op hoge leeftijd of vergevorderde dementie moet je soms het CCE inschakelen. Het CCE is dan een goede partner om over je schouder mee te laten kijken.

 

Dit artikel verscheen eerder in het CCE Magazine over Dementie en probleemgedrag