Zonder oordeel kijken naar de context

Spanningen tussen familie en instelling

 

Het is voor instellingen belangrijk om de hele context van hun cliënten in beeld te hebben. Zeker wanneer de situatie is vastgelopen, en er bijvoorbeeld een conflict met de ouders is ontstaan. Maar juist dergelijke vastgelopen situaties kunnen tot blikvernauwing leiden. Hulp van buiten kan dan nodig zijn om de zaak weer vlot te trekken.

 

‘Een paar jaar geleden consulteerde ik bij een cliënte met een lichte verstandelijke beperking, waarbij sprake was van incest binnen het familiesysteem. De ouders en de instelling stonden op zeer gespannen voet met elkaar. De vader mocht de instelling niet meer bezoeken, omdat hij agressief kon worden. De dochter had extreme obesitas. Dan is mijn vraag: wat probeert die dochter vast te houden?’

 

Co Kieneker werkt al een jaar of tien als consulent voor het CCE. Zij wordt met name ingezet wanneer ouders zich niet gehoord of erkend voelen door de organisatie waar hun zoon of dochter verblijft. Of om organisaties die het heel moeilijk vinden om met de verwanten van de cliënt om te gaan. Vrijwel altijd gaat het om cliënten met een verstandelijke beperking, of om cliënten uit de ouderenzorg.

 

Context

Bij dergelijke situaties kijkt Kieneker naar de context van de cliënt. ‘De cliënt maakt deel uit van verschillende systemen. Het belangrijkst zijn het gezin en de familie waaruit hij afkomstig is. Daarnaast is, wanneer hij in een instelling verblijft, die instelling een belangrijk systeem.’ Die systemen brengt ze in kaart door er ‘tot vervelens toe’ over door te vragen. Dat is belangrijk, want ‘wanneer je het systeem niet goed in beeld hebt, heb je de cliënt ook niet goed in beeld’. ‘Als hulpverlener moet je het systeem erkennen, en er oordeelloos naar kijken.’

 

Bij het in kaart brengen van dat systeem besteedt ze ook veel aandacht aan belangen. ‘In specifieke situaties vraag ik vaak: wiens belang wordt er gediend? Je persoonlijk belang, het belang van de organisatie, dat van de afdeling, dat van de cliënt of dat van de familie? Daarmee breng ik ook een bewustwordingsproces op gang. Mensen krijgen inzicht in de standpunten en belangen van andere mensen. Dat helpt, wanneer je samen moet bedenken waarmee de cliënt het beste gediend is.’

 

Bedreigend

In de situatie van de vrouw met obesitas bleek zij de enige in het gezin te zijn die met alle gezinsleden contact had. ‘Door de vader de toegang te verbieden, ontkende de instelling deels het bestaansrecht van de cliënte. Dus ze deed alles om de vader in beeld te brengen, ook door buiten de instelling met hem af te spreken. Ze had de behoefte hem te zien, en daar moet je als hulpverlener niet over oordelen. Dat heb ik duidelijk gemaakt. In eerste instantie heb ik voorgesteld dat ze elkaar met ieders instemming buiten de instelling konden ontmoeten. En vervolgens weer heel voorzichtig, met allerlei veiligheidsmaatregelen, ook binnen de woning. Dat gaf de cliënte heel veel rust, want aan haar wens werd tegemoet gekomen.’

 

Door de vader van het terrein te weren wilde de instelling de veiligheid vergroten. Daarmee werd het belang van de medewerkers gediend, en op een bepaalde manier ook dat van de andere cliënten. ‘Maar voor die andere cliënten was het ook bedreigend, want waarom zou hun ouders niet hetzelfde kunnen overkomen?’

 

Balans

Binnen een systeem moet er een aantal dingen kloppen, stelt Kieneker. ‘De balans tussen geven en nemen moet goed zijn. De ordening moet kloppen, dat wil zeggen dat de rangorde duidelijk moet zijn. En iedereen heeft recht op een eigen plek in het systeem.’

 

Om met dat laatste te beginnen: wanneer Kieneker bij een consultatie is betrokken, wordt vaak de vraag al gesteld of de cliënt ‘wel op de juiste plek zit’. ‘Daarmee wordt dat recht op die eigen plek al ondergraven. Soms moet je je alleen daarom al afvragen of het lonend is om nog te investeren in consultatie.’

 

Een probleem bij de ordening is vaak, dat de rangorde van de familie en die van de instelling als één worden gezien. Terwijl het om twee systemen gaat die elkaar kruisen bij de zorg voor de cliënt. ‘Daarom kunnen organisaties vaak de plek van de cliënt, en zeker die van de ouders, niet goed definiëren. Ze zeggen dat de cliënt op de eerste plek staat, maar zetten de cliënt toch niet boven de directeur. Want de cliënt, en zeker zijn ouders, zijn geen onderdeel van het organogram. Toch heb je als organisatie altijd met de ouders te maken, en de ouders staan recht achter de cliënt.’

 

Seksuele relatie

Verder is ‘geven en nemen’ een belangrijk thema bij de consultaties door Kieneker. ‘Er moet een balans zijn, met één grote uitzondering. Ouders geven altijd veel meer aan hun kinderen dan kinderen aan ouders kunnen geven.’

Ouders vragen de instelling om een deel van dat geven, van die zorg, over te nemen. ‘Niet alles, want veel liefde en aandacht willen ze graag zelf blijven geven. Maar in organisaties werken betrokken mensen, die geneigd zijn om meer voor de cliënt te gaan zorgen dan voor de ouders de bedoeling is. Over dat spanningsveld moet helder gecommuniceerd worden.’

 

Kieneker illustreert dat met een voorbeeld waar de ouders twijfelen of hun dochter in staat is om een seksuele relatie aan te gaan. ‘De dochter heeft een ontwikkelingsleeftijd die veel lager is dan haar echte leeftijd, en ze is in het verleden misbruikt. Dus zijn de ouders bang dat ze schade zal oplopen. De organisatie geeft aan zo’n relatie niet te kunnen verbieden omdat deze cliënte een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Ook heeft ze – afgezien van het misbruik – al seksuele ervaring.’ Het gaat erom de situatie te bereiken waar de cliënte zich het beste bij voelt. ‘Daar moeten ouders en instelling samen uitkomen. Wanneer dat niet lukt, raakt het kind in een loyaliteitsconflict.’

 

Kieneker probeert daarom ‘openheid te creëren tussen ouders en instelling, onder meer door beide partijen het oordeel dat ze over de ander hebben, te laten uitspreken’. En door te zorgen voor erkenning van de eventueel eerder ontstane problemen, bijvoorbeeld doordat ouders zich niet gehoord voelden. ‘In dit soort consultaties ben ik niet op zoek naar een oplossing. Het gaat erom de partijen inzicht te geven in het proces. Wanneer dat lukt is de context, eventueel met een beetje procesbegeleiding, heel goed in staat om zelf naar oplossingen te zoeken. Die hoeven echt niet van mij te komen.’

 

Dit artikel verscheen eerder in het CCE Magazine over Familie (2014)