Kleinschalig wonen beter?

De afgelopen jaren kwamen er steeds meer kleinschalige woonvormen voor dementerenden bij, en die trend zet zich voort. Maar ook worden er steeds vaker vraagtekens gezet bij het nut van kleinschaligheid. De recente ‘Monitor woonvormen dementie’ van het Trimbos-instituut neemt een tussenpositie in. Kleinschaligheid is geen ‘succesfactor’, maar kan wel positief werken. Wat zijn de ervaringen van een CCE-consulent?

 

‘Ik kom veel in kleinschalige woonvormen. Het zou geweldig zijn als die aan de tien succesfactoren van het Trimbos-instituut zouden voldoen, maar ik zie in de praktijk dat dat eigenlijk nooit het geval is’, vertelt Magda Hermsen. Zij is GZ-psycholoog, gespecialiseerd in de psychogerontologie. Als CCE-consulent was ze betrokken bij ruim dertig consultaties, allemaal rond dementerende mensen. Daarnaast werkt ze als eerstelijns psycholoog, en heeft ze een supervisie- en coachingsbedrijf.

 

‘Veel mensen met dementie hebben profijt bij kleinschaligheid. Bijvoorbeeld mensen die gebaat zijn bij rust en voorspelbaarheid, zoals prikkelgevoelige of angstige cliënten. Zij gedijen goed in een overzichtelijke woonsituatie met een beperkte groep medebewoners en teamleden. Maar er zijn ook mensen die minder goed passen binnen kleinschalige woonvormen, omdat zij daar sneller andere bewoners irriteren of door anderen geïrriteerd raken.’

 

Fronto-temporaal

Het CCE zet Hermsen meestal in bij vragen over dementerenden die onaangepast, ontremd gedrag vertonen, zoals roepgedrag, repetitief gedrag en agressief gedrag.

 

Vaak gaat het dan om mensen met stoornissen in de frontale hersenen, die zowel door hersenletsel als door dementie ontstaan kunnen zijn. ‘Bij deze groep zie je veel gedragsveranderingen en veranderingen in de persoonlijkheid, zoals rusteloosheid, oordeel- en kritiekstoornissen, onverschilligheid en repetitief gedrag, terwijl ze geen ziekte-inzicht hebben.’ Dit in tegenstelling tot de ziekte van Alzheimer, waarbij vooral geheugenproblemen en problemen met de oriëntatie op de voorgrond staan.

 

Met bezem slaan

Fronto-temporale dementie veroorzaakt vaak moeilijk stuurbaar gedrag dat heel moeilijk te begrijpen is, en juist in een kleinschalige woonvorm tot irritaties kan leiden. ‘Zo betrof één van mijn consultaties een vrouw die, vaak ad rem, impulsieve en onbehoorlijke opmerkingen  maakte over zaken die zij waarnam. Daarmee irriteerde ze een man tegenover wie zij dagelijks aan tafel in de huiskamer zat. Vaak zonder de aanwezigheid van personeel. De man ging vreselijk op de vrouw zitten vitten, en sloeg haar zelfs een paar keer met een bezem op het hoofd. Deze situatie was mogelijk niet uit de hand gelopen als de bewoners meer gelegenheid hadden gehad om elkaar te ontwijken. Of als er vaker personeel aanwezig was geweest dat het gedrag van de bewoners had kunnen sturen en de uitspraken had kunnen “ondertitelen”. Dat wil zeggen: de bedoeling van de spreker naar voren halen.’

 

In een andere consultatie zag Hermsen een man die door chronisch delier voortdurend rusteloos gedrag vertoonde. ‘Deze man was juist goed op zijn plaats in een grootschalige woonvorm waar hij in zijn verwardheid in een grote open ruimte met zijn rolstoel kon bewegen.’

 

Te weinig multidisciplinaire zorg

‘In kleinschalige woonvormen komt relatief weinig terecht van het streven naar multidisciplinaire zorg. Toch is het heel belangrijk om die te realiseren, voor mij is dat ook een succesfactor. Met name de psycholoog is er minder vaak aanwezig, domweg omdat een deel van zijn werktijd reistijd wordt wanneer hij een groot aantal kleinschalige voorzieningen onder zijn hoede heeft.’ Daarom raadt Hermsen instellingen aan, er voor te zorgen dat hun psychologen in kleinschalige woonvormen evenveel tijd aan de bewoners kunnen besteden als in grootschalige woonvormen. 

 

Verder hebben verzorgenden het er vaak erg druk, vooral met huishoudelijke taken die in grotere voorzieningen centraal geregeld zijn. ‘Ik zie in de nieuwste woonvormen prachtige voorzieningen, maar veel te weinig personeel. Mede daardoor kan men niet aansluiten bij de zorgbehoefte en de begeleidingsbehoefte van de bewoners.’ Wel kent het team op de kleine afdelingen de bewoners goed. Al betekent dat lang niet altijd dat men ook weet hoe je met de bewoners om moet gaan.’

 

Stadia dementie

Belangrijker dan de woonvorm is namelijk de toegenomen behoefte aan deskundigheid van de verzorgenden. ‘In de belevingsgerichte benadering sluit het personeel aan bij het stadium van de dementie. In het eerste stadium leven mensen nog in het hier en nu, zijn ze angstig en willen ze bevestiging en zekerheid. Ze vragen bijvoorbeeld: “mag ik hier blijven?”. In het tweede stadium zitten mensen vaak in een andere levensfase, en hebben ze behoefte aan een thuisgevoel. Die “verdwaalde” mensen stel je gerust door over het verleden te praten. In een derde fase hebben mensen het ik-besef verloren. Hen stel je gerust met het contact zelf, met aanraken bijvoorbeeld. Wanneer het personeel op de drie stadia weet aan te sluiten, kunnen deze drie groepen mensen prima samen in één woonvorm gedijen.’

 

Eén ideale woonvorm?

Mensen met fronto-temporale problematiek vormen een aparte groep. Zij hebben een ‘empatisch-directieve’ benadering nodig. ‘Zij hebben behoefte aan een invoelende, maar ook begrenzende en sturende, structurerende begeleiding. Dat is lastig voor het personeel, en kan eng zijn voor de andere bewoners. Daarom kun je de mensen met fronto-temporale problematiek mogelijk beter in één woonvorm zetten, en daar gespecialiseerde aandacht aan hen geven. Dan zou kleinschalig wonen, met meer ruimte per bewoner, ook voor deze groep een aantrekkelijke optie kunnen zijn.’

 

Want ook Hermsen ziet het gros van de cliënten liefst in een goed georganiseerde kleinschalige woonvorm. ‘Liefst een die alle succesfactoren van het Trimbos-instituut in zich verenigt, plus een goede multidisciplinaire aanpak.’

 

Maar als er gekozen moet worden uit beperkte middelen, zet zij die liever in voor voldoende goed opgeleid personeel dan voor kleinschalige huisvesting. ‘Die eerste casus was niet zo uit de hand gelopen als er vaker personeel in de huiskamer had gezeten dat de bewoners elkaars bedoelingen duidelijk had kunnen maken. Maar helaas is het personeel vaak overbelast.’

 

Succesfactoren

De Monitor woonvormen dementie van het Trimbos-instituut geeft de volgende succesfactoren:

  • Een visie als leidraad voor praktijk en beleid
  • Een leidinggevende die steunt en stuurt
  • Erkenning van verzorgenden als zorgprofessionals
  • Verzorgenden die voldoende tijd ervaren om goede zorg te bieden
  • Een verbonden, open en betrokken team van verzorgenden 
  • Een goede samenwerking met familie
  • Vrijwilligers als kans voor de woonvoorziening
  • Een ondersteunende omgeving
  • Persoonsgerichte zorg op een goede manier toegepast
  • Bewoners bij activiteiten betrekken
     

De monitor beschouwt de eerste vijf factoren als ‘absolute voorwaarde voor succes’. Volgens de monitor is het ‘gemakkelijker om de succesvoorwaarden te realiseren in kleinschalige woonvoorzieningen’.

 

Dit artikel verscheen eerder in het CCE Magazine over Dementie en probleemgedrag