'Bang voor Roos'

Roos is een 33-jarige vrouw die sinds vijftien jaar in een instelling voor lichamelijk gehandicapten woont. Ze is moeilijk ter been: haar rechter lichaamshelft is spastisch. Daarnaast heeft ze epilepsie. Al sinds haar komst in de instelling heeft Roos gedragsproblemen. Maar deze lijken de laatste tijd te verergeren.

 

Sinds een aantal jaar wordt Roos steeds agressiever en negatiever ten opzichte van haar begeleiders en medebewoners. Ze scheldt en schreeuwt en wil bovendien niks meer weten van haar begeleiders. Roos sluit zich volledig voor haar omgeving af. De begeleiders voelen zich machteloos. Ze weten niet hoe ze contact met Roos kunnen krijgen en ook niet hoe ze met haar agressie om moeten gaan.

 

Geen contact meer

Het CCE wordt ingeschakeld. De belangrijkste vraag van de begeleiders is hoe zij het beste met de agressie van Roos kunnen omgaan. De consulent van het CCE ziet bij het kennismakingsbezoek dat Roos geheel geïsoleerd is geraakt. De begeleiders en bewoners zijn zo bang van haar, dat het contact met haar verbroken is. Roos' grootste probleem lijkt te zijn dat het tempo van de verzorging en van de sociale contacten voor haar te hoog ligt. Ze reageert daarop met zich afzetten en afzonderen. Roos kan het allemaal niet volgen, maar probeert zo wel de regie over haar eigen leven te houden.

 

Extra begeleiding

Iedereen is het erover eens dat het noodzakelijk is om de mogelijkheden en beperkingen van Roos beter in kaart te brengen. De omgeving zou beter afgestemd moeten zijn op wat zij (aan)kan. Intussen zet het CCE een casemanager in die zich bezighoudt met de complexe zorgvraag van Roos. Een casemanager is een deskundige die op de werkvloer als coach optreedt. In dit geval gaat het om iemand die veel kennis heeft op het gebied van agressie. Hij bespreekt bijvoorbeeld met de begeleiders hoe Roos kan reageren in een bepaalde situatie en hoe ze daarmee om kunnen gaan. Op die manier zijn ze beter voorbereid op haar agressieve gedrag.

 

Als het contact tussen de begeleiders en Roos beter is, kunnen ze van daaruit kijken hoe ze haar leven weer vorm kan geven. Tegelijkertijd wil de orthopedagoog van de instelling uitzoeken hoe slim Roos is en wat haar sociaal-emotionele niveau is.
De begeleider spreekt met Roos af wat ze kunnen doen als Roos zich goed voelt en zij dat graag zo wil houden. Ze maken ook afspraken over wat de begeleiders kunnen doen als Roos voelt dat ze gespannen wordt. Roos krijgt extra ondersteuning in het meekomen met de groep. Maar daarnaast wordt ze ook duidelijk aangesproken op haar gedrag en wordt beter uitgelegd welk effect haar agressie heeft op haar omgeving. Dat werkt verhelderend, Roos had geen idee dat het zo'n grote rol speelde.

 

Minder eenzaam

De begeleiders van Roos zijn erg enthousiast over de coaching. Ze zijn minder angstig en kunnen het contact met haar herstellen. Roos voelt zich daardoor al minder eenzaam. Voor een deel accepteren de begeleiders nu ook beter wie Roos is en uit welk milieu ze komt. Roos is opgegroeid in een gezin met nogal ruwe omgangsvormen en de begeleiders vonden het moeilijk om daarmee om te gaan.
De onderzoeken die de orthopedagoog wil doen, hebben nog niet tot resultaten geleid. Roos wil vooralsnog niet meewerken aan een intelligentie- en persoonlijkheidsonderzoek. De orthopedagoog hoopt dat Roos, wanneer het nog wat beter gaat met haar, ook het belang van deze test zal inzien. De uitslag zal namelijk van belang kunnen zijn in het vinden van een nieuwe woonplek voor Roos. De begeleiding die ze krijgt is nu veel beter. Maar de eisen die in deze woonvorm aan haar worden gesteld zijn, ook door de mensen die er wonen, waarschijnlijk toch te hoog voor haar.

 

Het CCE helpt onder andere mensen met een lichamelijke beperking. Om privacyredenen komen namen niet overeen met de werkelijkheid.