Het CCE biedt ook advies over cliënten die tussen wal en schip vallen

Helaas geldt voor veel cliënten van het CCE haast per definitie dat ze ‘tussen wal en schip vallen’. In het thema "Hiaten in de complexe zorg" gaat het om cliënten die daar door de aard van hun problematiek mee te maken hebben. De zorg is georganiseerd in sectoren. Wie buiten die ordening valt, heeft een probleem. Wat kan het CCE betekenen voor de zorgverlening voor deze cliënten?

 

‘Vanaf 1990 houd ik me bezig met mensen met complexe gedragsstoornissen. Dat zijn ook nogal eens mensen die niet goed passen in de sectoren waarin de zorg is georganiseerd. Meestal komt die gedragsstoornis voort uit een ontwikkelingsstoornis, vaak samenhangend met een autisme spectrum stoornis. Daarnaast is bij deze cliënten regelmatig sprake van een lichte verstandelijke beperking.’

 

Jos Staudt werkt al vanaf 1976 in de gehandicaptenzorg, na een HBO-opleiding zorgmanagement. In 2003 zette hij de Stichting Z.O.N. op, die zich richt op cliënten met complexe gedragsproblematiek. Sinds 2004 werkt hij ook als consulent voor het CCE.

 

Het gaat dus bijvoorbeeld om mensen die zowel een psychiatrische als een VG-indicatie hebben. Maar er zijn meer categorieën. ‘Ik krijg ook regelmatig te maken met cliënten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH). En met ouderen met zowel psychische als somatische problematiek. Daarnaast zijn er kleinere groepen, zoals mensen met én doofheid of blindheid én een verstandelijke beperking.’

 

Overvraagd

Mensen met zowel psychiatrische als VG-problematiek lopen het risico overvraagd te worden, stelt Staudt. ‘Ze lijken vaak meer te begrijpen en te kunnen dan ze doen. Ook denken ze zelf vaak meer te kunnen dan daadwerkelijk lukt. Daarbij overzien ze de gevolgen van hun eigen keuzes niet. Omdat ze continu op hun tenen moeten lopen, bouwen ze spanning op. Die kan zich ontladen in ongewenst gedrag, bijvoorbeeld brandstichting, verbaal of fysiek geweld. Af en toe leidt de voortdurende spanningsopbouw tot een psychose. Het is heel belangrijk om in een vroeg stadium te onderkennen dat die spanning zich ophoopt.’

 

Voor de directe omgeving, zoals familie en hulpverleners, is het vaak moeilijk om die opbouwende spanning op tijd te signaleren. ‘Dan barst de bom, en verhuist de cliënt naar de GGZ. Regelmatig verwijst de GGZ hem vervolgens weer terug, omdat de GGZ-instelling de gedragsproblematiek als een “pedagogisch probleem” ziet dat onder de VG-zorg valt. Het is belangrijk dat VG en GGZ beter samenwerken bij deze cliënten.’

 

Dat laatste geldt in misschien nog wel sterkere mate voor mensen met NAH. ‘Het is heel lastig voor hen de juiste opvang te vinden omdat zij zo zelfstandig mogelijk willen wonen, maar ook vaak de neiging hebben om depressief te worden. En zij vragen niet snel om hulp, dus is het goed als er iemand een oogje in het zeil houdt.’

 

Kleinschalige voorzieningen

Daarom pleit Staudt voor kleinschalige woon- werkvoorzieningen. ‘Deze mensen passen niet in de grote, reguliere instellingen. Ze passen beter in kleinschalige voorzieningen waarin ze overzicht en duidelijkheid hebben, waarin zorgverleners voldoende tijd voor hen hebben, en waar wonen en werken naadloos in elkaar overgaan. Zodat ze aan zo weinig mogelijk prikkels worden blootgesteld.’ Liefst worden ze daar begeleid door een klein, sterk bij de cliënten betrokken multidisciplinair team. ‘Bij voorkeur werken daarin verschillende disciplines, zoals VG-begeleiders en psychiatrisch verpleegkundigen, intensief samen. Zij moeten tijdig vaststellen wanneer de spanningen in cliënten oplopen, of wanneer iemand met NAH depressief dreigt te raken. Dergelijke voorzieningen zijn er wel, maar te weinig.’

 

Ook voor ouderen die lichamelijke aandoeningen hebben en verstandelijke en/of psychiatrische problemen zijn speciale, kleinschalige woonvoorzieningen wenselijk. ‘Liefst werken ouderenzorg, VG-zorg en GGZ daarbinnen samen.’ 

 

Meerwaarde CCE

Bij het zoeken van de juiste oplossing moet goed gekeken worden naar de individuele behoeften van elke cliënt. ‘Daarvoor is een woon-, werk- en begeleidingsprofiel nodig. Onderdeel van het begeleidingsprofiel is vaak het “signaleringsplan” voor oplopende spanningen in de cliënt. Maar dat begeleidingsprofiel gaat ook over de houding die de zorgverleners tegenover de cliënt moeten aannemen. Het woonprofiel geeft aan of de cliënt binnen een kleine groep kan functioneren, of bijvoorbeeld beter zelfstandig wonen, maar wel vlakbij een groep of een centrale ruimte. Die laatste situatie is vaak geschikt voor NAH-patiënten.’

 

In elk geval is het essentieel, dat de cliënt in een woon- werksituatie komt waarin hij zich veilig voelt, stelt Staudt. ‘Het gaat erom, een “kleine wereld” te creëren waarin de cliënt overzicht heeft en niet overprikkeld raakt, en dus minder snel angstig wordt. Want veel gedragsproblematiek komt voort uit angst. Verder is het belangrijk dat cliënten plezier en eigenwaarde ontlenen aan hun dagbesteding.’

 

Bij het vinden van die optimale situatie kan het CCE een belangrijke rol spelen.

‘De meerwaarde van het CCE is, dat we vanuit meerdere disciplines heel precies naar een cliënt kunnen kijken, en zijn specifieke behoeften in kaart kunnen brengen. Daarbij is ook de inbreng van de familie en de begeleiders van de cliënt heel belangrijk. Vervolgens kan het CCE helpen om de bestaande opvang aan te passen, of meedenken over passende opvang elders. We hebben een heel groot netwerk.’

 

Dit artikel verscheen eerder in het CCE Magazine over Hiaten in de complexe zorg