De wondere wereld van de dementie

Hoe kan je een zinnige dagbesteding geven aan dementerende ouderen? Het is een kwestie van prettige prikkels aanbieden. En: de juiste prikkel op het juiste moment. Inzicht in hoe beschadigde hersenen werken, is essentieel. Het Breincollectief laat aan zorgprofessionals en familie zien hoe de wereld er door de ogen van een dementerende uitziet. “Zij kunnen niet meer schakelen naar de gezonde wereld, dus wij moeten naar hen toe.”

 

Jos Cuijten is ervaren verpleegkundige, trainer en coach gespecialiseerd in ouderenzorg en dementie. Sinds zeven jaar werkt ze samen met sociaal geriater Anneke van der Plaats, de grondlegger van deze omgevingszorg. Het Breincollectief (2008) is een groep deskundigen die zich bezighoudt met dementie en omgevingszorg, ieder vanuit een eigen discipline: bouw/inrichting, werkprocessen, dagbesteding en bejegening. Beiden zijn ook regelmatig als CCE-consulent betrokken bij consultaties. Met onder andere lezingen en trainingen probeert het Breincollectief het inzicht in beschadigde hersenen te verspreiden. Verzorgenden en familie vragen zich na zo’n lezing vaak af: ‘Waarom wisten we dit niet? Hier kunnen we wat mee!’.

 

Ongestructureerde prikkels

‘Mensen met dementie laten vaak probleemgedrag zien, vinden wij’, zegt Jos Cuijten. ‘Dat komt doordat zij heel vaak in een omgeving zitten die ze niet meer begrijpen. Er zijn teveel ongestructureerde prikkels. En dan falen ze. Stel je maar eens voor dat je buikloop hebt in Bangkok. Je zoekt een wc. Je kan geen Thaise bordjes lezen en niemand snapt wat jij vraagt. Dat leidt tot enorme stress. Zo voelen dementerenden zich.’

 

Wanneer als dagbesteding een spel als Rummikub wordt aangeboden, kan dat tot vervelende situaties leiden. ‘Ze snappen niet meer wat de bedoeling is, en gaan er mozaïeken van leggen. “Nee”, zegt de begeleiding dan, “zo hoort het niet”. Dat leidt tot falen en dat geeft probleemgedrag. Maar Rummikub is niet het doel, maar slechts een middel tot contact leggen. En dat is waar men behoefte aan heeft!’

 

Verveling

Een andere oorzaak voor probleemgedrag is dat de omgeving helemaal ingericht is op verzorging. ‘Alles is planmatig ingedeeld en overduidelijk bedacht door gezonde hersenen. Als de bewoners gewassen zijn, worden ze aan tafel gezet. In feite worden ze dan letterlijk in de leegte gezet. Ze kunnen zelf niks verzinnen en de hersenen gaan zich vervelen. Omdat hun denkvermogen is beschadigd, zijn ze van hun omgeving afhankelijk voor positieve prikkels. Krijgen ze die niet, dan gaan ze zelf prikkels maken: roepen, tikken, murmelen, ronddwalen. Anderen gaan dwangmatig slapen. Alles uit verveling.’

 

Er zijn veel mogelijkheden voor dagbesteding. Wat goed past, ligt aan de mensen die je voor je hebt. Om de goede prikkels aan te kunnen bieden, moet je hun levensgeschiedenis kennen. ‘Ik kwam een man tegen die veel probleemgedrag vertoonde en zich dood verveelde. Toen ik hoorde dat hij advocaat was, heb ik hem een paar wetboeken gegeven en een aantekenblok. Hij was daar vervolgens urenlang mee aan de slag. Meer in algemene zin moeten mensen zich thuis voelen in een veilige, gunstige omgeving. Dan kunnen ze als vanzelf weer beter functioneren. Zo zien we mensen weer zelf gaan eten en zelfs meer bewegen.’

Hoewel verzorgenden vaak in eerste instantie weerstand voelen als het Breincollectief over de vloer komt, raken ze enthousiast als ze zien dat het ook anders kan. Jos Cuijten geeft hen onder andere de training ‘De verveling te lijf’. ‘Vaak ligt het tempo van de verzorgende veel te hoog. Een oudere met dementie krijgt de kans niet om antwoord te geven, want dat heeft de verzorgende inmiddels al gedaan. De informatieverwerking gaat veel langzamer. Ze kunnen ook niet meer zeggen: “doe even wat langzamer”. Zo krijg je dus een soort wederzijds probleemgedrag.’

 

Jaren '50

Het Breincollectief kan ook ingeschakeld worden bij de inrichting van woonruimte. ‘Het liefst zijn wij al betrokken bij de bouw. Er wordt namelijk vaak veel te modern ontworpen. Ieder mens denkt in beelden, maar dementerenden gaan daarbij terug in de tijd. De omgeving waar zij zich anno 2011 vertrouwd voelen, is ouderwets herkenbaar en huiselijk. Denk aan de tijd van net na de Tweede Wereldoorlog. Ramen moeten dus niet van het plafond tot aan de grond lopen, maar een kozijn en een vensterbank hebben. Anders herkennen ze het niet als raam en lopen ertegen aan. Een zwevend toilet met witte bril, knopjes om door te spoelen, zeeppompjes en kranen met een hendel: ze weten er geen raad mee.’

 

Over twintig jaar zal de ideale omgeving voor een persoon met dementie er dus anders uit zien: dan moeten we naar de jaren zestig met veel paars en oranje tinten.